Jamal's verhaal

De Soedanese Jamal (1973, Darfur) trekt zijn broek een beetje op wanneer hij gaat zitten op de versleten bank in de gemeenschappelijke ruimte van de woongroep. Onder zijn broek verschijnt een lichte sok die zich strak spant om zijn nepbeen. Vandaag heeft Jamal keukendienst en af en toe staat hij op om even te roeren in de grote pan met macaroni die hij al eerder die dag heeft gemaakt. Je kan zien dat hij gewend is om te leven met maar één been, hij heeft niks nodig om zich aan vast te houden als hij opstaat, loopt of weer gaat zitten. De ruimte waar Jamal nu woont is een verademing. Op een plank aan de muur staan negen soorten tandpasta, waar we een beetje om lachen. Zijn tanden zien er inderdaad stralend uit.

Jamal is meerdere keren opgepakt door het regime en gemarteld in de gevangenis van Soedan. Hij moest uiteindelijk zijn vrouw en vijf kinderen achterlaten tijdens zijn vlucht naar Europa. Twee van zijn kinderen zijn nu op zoek naar hun moeder. Hij maakt zich zorgen, het zijn jonge jongens en het is gevaarlijk in Soedan. De andere kinderen wonen nu bij hun oma en via zijn telefoon heeft hij contact met hen. Zijn reis was een hel, vertelt hij. In het bootje waar Jamal op zat zaten driehonderd mensen op elkaar gepropt voor vijftien dagen met enkel water en wat dadels. Deze bootjes kapseizen al bij zeventig man, ze waren veel en veel te vol. Jamal had zijn nepbeen aan zichzelf vastgebonden en hield zijn hoofd omhoog om te kunnen ademen. Hij vertelt dat er allemaal kleine bootjes waren en dat deze uiteindelijk samenkwamen op een rubberbootje in het midden. De mensen moesten van boot naar boot springen tot ze uiteindelijk werden opgepikt door een groter schip. Jamal vertelt dat het tijdens het springen vaak mis ging, mensen vielen tussen de boten of werden door het gekrioel van het bootje afgeduwd. ‘Laat ze maar’, zeiden de smokkelaars dan. Jamal knijpt zijn bloeddoorlopen ogen even samen. Er valt een stilte als we op ons in laten werken dat hij talloze mensen heeft zien verdrinken, pal voor zijn neus.

Na twee weken pikte een containerschip de mensen die nog leefden op en kwamen ze aan in Italië. De groep werd op een open plek gestald. Er waren geen tenten, dekens of wat voor beschutting dan ook, het enige waar ze het mee moesten doen waren emmers met eten. En juist die ene emmer waar Jamal wat uit te eten kreeg zorgde ervoor dat hij onder het Dublin-akkoord valt, er is namelijk bewijs dat hij even in Italië is geweest. Na vier dagen op de open plek houdt Jamal het niet meer uit, hij is doodmoe en heeft het ijskoud. Ze vragen om zich heen wat de warmste plek is om te schuilen en mensen wijzen hen het station en de treinen. In mei 2016 komt Jamal aan in Amsterdam en middels een dagkaart die hij van de politie krijgt vervolgt hij zijn reis naar Ter Apel. Toen hij in een AZC kwam vlakbij Roermond duurde het niet lang tot er werd gezegd dat Jamal terug moest naar Italië vanwege Dublin. Hij wil niet, hij heeft daar de hel gezien. Met een klein beetje zakgeld loopt hij weg, traag vanwege zijn handicap. Hij loopt en loopt tot hij niet meer kan en herinnert zich dan dat iemand tegen hem had gezegd om STIL te bellen. Via STIL is hij hier gekomen, een plek vol kruisjes aan de muur, boeken over Jezus in de kast en lieve bedeesde mensen die zich inspannen om de vluchtelingen te helpen. Hij heeft zijn eigen kamer en elke dag een taak. Jamal weet niet hoe het gaat lopen, hij weet ook niet precies hoe lang hij moet wachten, maar voorlopig zit hij hier goed. Hij friemelt aan een roze armbandje om zijn pols.

‘Die vond ik om de kraan in mijn kamer. Ik vroeg of het van iemand was maar dat was niet zo. Ik heb er een hartje aangehangen als herinnering aan mijn kinderen.’ Als hij vertelt over zijn kinderen verschijnt er heel even een lach op zijn gezicht die al snel plaatsmaakt voor een frons van bezorgdheid. Zijn droom is om zo snel mogelijk met hen samen te zijn en te kunnen werken. Er klinkt een luide gong die het eten aankondigt. Jamal gaat de macaroni halen en vraagt ons driemaal of we willen blijven.