Luel: onze papierloze stadsgenoot

Luel Ymesgen Lebasi was een jonge jongen die volop in het leven stond. Pas achttien jaar was hij, toen hij op 3 mei dit jaar in Utrecht werd neergestoken. Dit nieuws trof ons zwaar bij WAY TO STAY, wij kenden Luel als een levenslustige, grappige en vrolijke jongen die na een lange reis eindelijk een goed vooruitzicht kende. Luel heeft ons geholpen bij het opzetten van WAY TO STAY, waar hij zich met veel enthousiasme in heeft gezet voor het project en mede vluchtelingen met Dublin-Claim. We werkten onder meer met hem samen voor een korte film over mensen met een Dublin-claim. Deze is hier te bekijken.

Katja van Nimwegen ondersteunde Luel bij het leren van de Nederlandse taal en schreef zijn verhaal op voor De Utrechtse Internet Courant. Katja leerde Luel kennen als een jongen die het moeilijk vond te praten over zijn moeilijke situatie, maar wel met een glimlach door het leven ging. Wij zijn ontzettend blij met het artikel, een prachtige nagedachtenis aan een prachtig mens.

Dit verhaal gaat over een eigenzinnige en ambitieuze jongen. Luel (18) verbleef als ‘illegaal’ in Utrecht, wachtte tot hij officieel asiel mocht aanvragen. Ik leerde hem de Nederlandse taal en hij vertelde over over zijn leven. Zijn verhaal mocht ik opschrijven, mits hij anoniem kon blijven. Maar een pseudoniem is niet meer nodig; op 3 mei werd Luel doodgestoken.

Door Katja van Nimwegen

Een dinsdagmiddag, midden in de winter. Zoals elke week trof ik Luel, een 18-jarige Eritrese vluchteling, aan de Oudegracht. We gingen de centrale bibliotheek binnen en zochten naar een rustig plekje om te praten. Toen we zaten, vroeg ik hoe het ging. Gewoonlijk volgde er dan een aantal keer: “Goed, en jij? Hoe gaat met jou?” Het is een Eritrese gewoonte om dat meerdere keren te vragen, want pas dan kom je achter het echte antwoord. Dit keer stak hij meteen van wal. Hij vertelde hoe hij die ochtend met een groep andere ‘ongedocumenteerden’ vrolijk naar de stad was gegaan. Ze waren gaan shoppen! De organisatie die hen opving, had een beetje geld verzameld waar ze kleding van konden kopen. Een welkome gunst, want zonder verblijfsvergunning is geld verdienen geen makkelijke opgave.

Maar de gift was niet in goede aarde gevallen bij Luel, die nogal een uitgesproken kledingstijl had. Ze bleken het geld namelijk alleen uit te mogen geven bij de C&A. Maar daar was echt niks te koop wat bij zijn opvallende shirts, felgekleurde schoenen en smalle jeans paste. Vol onbegrip deed hij na hoe hij afkeurend door de winkel had gelopen. Hij had nog eens netjes gevraagd of hij naar de CoolCat mocht, maar de begeleidende vrijwilligers hielden vol.

Eritrea

In Utrecht lopen enkele duizenden mensen door de straten die hier officieel niet mogen zijn. Een deel van hen is asielzoeker, afgewezen om verschillende redenen, maar niet teruggestuurd. Sommigen waren minderjarig toen ze in Nederland aankwamen, maar hebben sinds hun achttiende geen recht meer op school en opvang. Ik was benieuwd hoe deze ‘illegalen’ leven, waar ze wonen, wat ze doen. Hoe het voor hen is om hier te zijn.

Luel en ik konden elkaar een beetje helpen. Ik gaf hem Nederlandse les en hij vertelde mij over zijn leven. Dus spraken we af, elke week. We voerden gesprekken. Dat ging in het begin nog heel moeilijk; hij sprak eigenlijk alleen Tigrinya, een taal die zelfs Google Translate niet kent. Maar hij had meerdere docenten en was gemotiveerd. Luel pende enthousiast nieuwe woordjes in zijn schrift. Al snel kon hij zich aardig redden in het Nederlands.

De jongen hechtte veel waarde aan zijn privacy. Zelden treedt een Eritrese vluchteling in de publiciteit, waarschijnlijk omdat het Eritrese regime zelfs hier nog een dreiging voor ze is. En dan was er nog de vreemdelingenpolitie, die hem maar al te graag het land uit zou hebben gezet. Maar Luel was geen type om zich te verstoppen. Op Instagram zag ik regelmatig selfies met flitsende filters voorbij komen. Hij vond het goed dat ik zijn verhaal zou publiceren, maar alleen onder een andere naam. David, mocht ik hem noemen, naar een Bijbels personage dat wel bij hem paste. Deze christelijke einzelgänger voerde namelijk ook een bijna onmogelijke strijd tegen een reus. Alleen heette de reus van Luel niet Goliath, maar de Europese bureaucratie.

Eritrea staat internationaal bekend als een gevaarlijk land. Er worden op grote schaal mensenrechten geschonden. Zo geldt er een dienstplicht die wel eens omschreven wordt als slavenarbeid; je werkt voor praktisch onbepaalde tijd voor weinig geld, in het leger, als ambtenaar of op een andere manier voor het regime. Vluchtelingen die daar vandaan komen krijgen hier in principe altijd asiel. Luel vertelde niet zo veel over zijn leven in Eritrea. Ik heb zijn verhaal gereconstrueerd uit losse opmerkingen en korte antwoorden op mijn vragen. “Niet democracy”, zei hij bijvoorbeeld, toen ik hem vroeg waarom hij was vertrokken.

Luels vader was blind geworden in het leger en had daardoor geen inkomen. Zijn moeder probeerde geld te verdienen door aardappelen, tomaten en uien te verkopen op de markt. Ze hadden Luel naar Europa gestuurd, waarschijnlijk om te voorkomen dat ook hij in dienst zou moeten. Dus was hij via Ethiopië en Sudan naar Libië gereisd en had hij vanaf daar de oversteek naar Italië gemaakt. Op doorreis in Zwitserland had de politie zijn vingerafdruk afgenomen. Luel vond het daar maar niks en reisde met zijn vrienden mee naar Nederland. Volgens het Dublin-verdrag mag je echter alleen asiel aanvragen waar je als eerste werd geregistreerd. Vanwege zijn vingerafdruk zou de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) hem dus terugbrengen naar Zwitserland.

Toevlucht

Een dag voor de ‘deportatie’ liep Luel weg uit de opvang. Hij pakte de bus naar Utrecht. Daar woonden namelijk vrienden van hem, hij kon vast wel wat regelen. Dat viel tegen. De vriend waarbij hij hoopte te kunnen overnachten zat zelf in een opvang, daar kon Luel niet zomaar bij. Eén nacht sliep hij op het station en de volgende dag sprak hij mensen aan. Maar niemand hielp hem, ze leken bang voor hem te zijn.

Uiteindelijk kon hij terecht bij een nachtopvang genaamd Toevlucht. Die is in het leven geroepen door vrijwilligers die vonden dat migranten nooit op straat zouden moeten slapen. Het is een minimale voorziening; om acht uur ‘s ochtends moet iedereen naar buiten. Dat vond Luel altijd een moeilijk moment. Toch sprak hij altijd met sympathie over Toevlucht. Hij werd ‘s ochtends altijd vriendelijk wakker gemaakt. Die vrijwilligers kunnen er ook niks aan doen, dat begreep hij best.

 

Emotie liet Luel niet vaak zien, als het over zijn moeilijke situatie ging. Het leek soms alsof het allemaal een groot avontuur voor hem was. Ik vroeg eens hoe dat kwam. Hij legde me uit dat hij probeerde niet te veel na te denken. Hij leefde van dag tot dag. Maar ’s nachts lukte dat niet altijd, vaak kon hij niet slapen. “Ik denken, over twee jaar niks veranderen… Dan weg, andere plek. Hier, moeilijk!” Maar Luel bleef sterk, zoals dat hoort bij Eritrese mannen. Toen hij voor het laatst huilde, was hij zo’n zeven jaar oud. Met een glimlach haalt hij de herinnering op. Hij was blijven zitten omdat hij nooit zijn schoolwerk deed. Voetballen vond hij toen al veel leuker.

Luel legde me uit dat hij hier wachtte tot de EU zijn ‘fingerprint vergeet’. Ze hadden hem verteld dat dat anderhalf jaar zou duren. Ondertussen integreerde hij snel in de stad. Maar het leek soms alsof hij een ander Utrecht kende dan ik. Dagelijks ging hij verschillende organisaties langs waar ik nooit van had gehoord. Zo kwam hij veel bij het Smulhuis, het Ubuntu-huis en Villa Vrede. Net als Toevlucht zijn dat vrijwilligersorganisaties die het leven van ongedocumenteerden iets makkelijker maken. Overdag wordt gekookt, je kunt er hangen en er zijn regelmatig activiteiten, zoals sport en Nederlandse les.

Tot zijn vreugde kon Luel zelfs zijn grote passie uitvoeren: voetbal. Hij was lid van een vluchtelingenvoetbalteam, waarmee hij geregeld nationale toernooien bezocht. Trots liet hij de foto’s zien. In de bibliotheek lazen we soms samen kinderboeken over voetbal, dan deed hij extra hard zijn best om het te begrijpen.

Identificatie 

Toen Luel in Nederland aankwam was hij 17 jaar oud. Hij viel nog onder toezicht van het NIDOS, de landelijke organisatie voor minderjarige migranten. Maar omdat hij hier eigenlijk niet zou mogen blijven, had hij sinds zijn achttiende verjaardag veel minder rechten. Hij kon niet studeren, kreeg geen gemeente-opvang, maakte geen kans op bijstand. Ook vertelde hij dat de ov-chipkaart die ze hem hadden gegeven op zijn verjaardag opeens niet meer werkte.

Maar hulp kreeg hij toch, van alle kanten. Zo ontmoette hij een Nederlandse man die hem een fiets gaf. En hij kreeg advies van Vluchtelingenwerk, bijvoorbeeld dat de politie niet om identificatie zou vragen als hij zich aan alle regels hield. Dus dat deed-ie. Omdat hij niet precies wist waar je wel of niet mag fietsen, wandelde hij met zijn fiets aan de hand door de hele binnenstad. Het werkte aanstekelijk, na de les liepen we vaak samen over de Oudegracht.

Eén keer ging het toch bijna mis. Hij was bij een vriend in Overvecht. Voor de deur waren ze samen zijn fiets aan het repareren. Agenten zagen het, vermoedden dat het een gestolen fiets was en vroegen hem om een identiteitsbewijs, dat Luel natuurlijk niet had. Het liep af met een sisser; de vriend had wel een verblijfsvergunning en liet hem zien. De agenten namen er genoegen mee.

De wekelijkse lessen zaten vol met dit soort verhalen. Soms gingen we naar de bibliotheek, soms spraken we elkaar in koffietentjes in de binnenstad. Ethiopische koffie verkochten ze daar soms, maar, leerde ik, die hoorde je heel anders te zetten. Dit smaakte nergens naar. Het was grappig om onze werelden, die soms zo verschillend leken, bij elkaar te brengen. Luel vertelde geamuseerd, maar hij was ook erg geïnteresseerd in Nederlanders. Zo kwam hij soms met hele analyses over cultuurverschillen, zoals de Nederlandse neiging om schaamteloos persoonlijke vragen te stellen – eigenlijk net zoals de Immigratie- en Nationalisatiedienst het doet. “Iedereen in Nederland IND?”, vroeg hij lachend. 

De man van de fiets nam hem een keer mee naar Amsterdam, vertelde hij. Hij was overdonderd door de drukke stad, al die mensen en de vele plekken waar je koffie kon kopen. De vriend had hem uitgelegd dat coffeeshops voor andere dingen zijn dan koffie. Verbijsterend vond Luel het, hij was blij terug te komen in het voor hem inmiddels bekende Utrecht. Drugs zou hij nooit gebruiken, al zag hij wel om zich heen hoeveel vluchtelingen er de stress mee verlichtten.

3 mei 2017

Want dat is waar jongeren zonder verblijfsvergunning in terechtkomen nadat ze uit de reguliere opvang verdwijnen: een wereld van stress, van mensen zonder toekomst en zonder vaste woonplaats. Ondanks de begeleiding die er voor hen is, leidt dit regelmatig tot ruzies, persoonlijke problemen en incidenten. Deze week leidde het tot de dood van Luel. Hij werd neergestoken voor de deur van Villa Vrede na een ruzie met een andere ongedocumenteerde man. Luel had elf maanden overleefd zonder hulp van overheidsinstanties. Over zeven maanden had zijn asielprocedure kunnen beginnen. Het verdriet is groot, bij zijn vrienden, bij Villa Vrede, bij verschillende vrijwilligers en bij mij. Luel was geen Nederlander, maar wel een bewonderenswaardige stadgenoot.